In het ontwikkelende Den Haag van de vijftiende eeuw ontstonden  vier nonnenkloosters: het St. Agnietenklooster, het klooster van St. Maria in Galilea, het convent van St. Barbara en het St. Elizabethklooster.

Het St. Elizabeth Convent in 1570 (midden). L=Laan, S=Schoolstraat, V=Vlamingstraat. Deze straten bestonden al in de zestiende eeuw. De  GM=Grote Marktstraat werd pas rond 1920 aangelegd. .
Het St. Elizabeth Convent in 1570 (midden). L=Laan, S=Schoolstraat, V=Vlamingstraat. Deze straten bestonden al in de zestiende eeuw. De GM=Grote Marktstraat werd pas rond 1920 aangelegd. .

Het klooster

Indulgentia

In de middeleeuwen was het geven van een aalmoes aan armen, blinden, lammen en kreupelen een soort van verplichting die de gulle gever een stapje dichter bij de hemel bracht. Geen bruiloft, geen kinderdoop, geen huiselijk feest, geen begrafenis, of de armen werden bedacht. Kerken en kloosters probeerden om behoeftigen in hun lijden bij te staan en dit zo mogelijk te verlichten.

Begijnhof

Het St. Elizabethklooster was het eerste Haagse bagijnenhof en werd rond 1420 gesticht. Het werd Begijnhof aan de Laan genoemd. Op 26 januari 1429 gaf Filips de Goede aan 'den susteren inden Hage een subsidie van 40 schilden tot hairre tymmeringe'. Dit was een wettelijke erkenning die resulteerde in een uitbreiding van het zusterhuis en vanaf 1443 was de stichting gewijd aan St.-Elisabeth. 

Echter pas in 1452, na een  grote verbouwing, werd een echt klooster gesticht op de plek van het huidige Boterwaagcomplex en de Grote Markt. 

Het klooster omvatte naast de reguliere kloostergebouwen, een kapel een kloostertuin en een begraafplaats. Het gebouw lag aan de gracht, die tot het begin van de 17e eeuw tot de Schoolstraat liep. De hoofdingang van het complex werd de Zusterpoort genoemd.

Op de huidige Grote Markt stond een rosmolen en een molenhuis. Het recht van de rosmolen, om vrij tarwe, gerst, rogge en ander koren te malen, werd door Maximiliaan en Philips van Oostenrijk op 3 Juni 1486 aan het klooster geschonken. 

In het begin van de zestiende eeuw was aan het convent een weeshuis verbonden.

Dit is een uitvergroting van een kloosterboek uit 1590.De omgeving van het klooster lijkt geïdealiseerd. Zie voor de volledige bladzijde lager op deze pagina.
Dit is een uitvergroting van een kloosterboek uit 1590.De omgeving van het klooster lijkt geïdealiseerd. Zie voor de volledige bladzijde lager op deze pagina.
De kerk

De kerk of kapel bevond zich iets ten zuiden van de Zusterlaan (de huidige Laan), een weggetje waar de kloosterzusters vaak wandelden. In de kerk bevonden zich sinds 26 mei 1457 drie altaren, één gewijd aan Sint Elizabeth, één gewijd aan Maria en één aan Sint Johannes de Evangelist. Aan de zuidoostzijde van de kerk bevonden zich de tuin en het paterhuis. 

Een paar jaar na de stichting van het klooster, in 1458,  preekte de bekende minderbroeder Johannes Brugman in de kapel.  Zijn welsprekendheid tijdens de predikatiën (kanselpreken) was zo groot dat dat hij er het spreekwoord "Praten als Brugman" aan over hield.

De contouren van het klooster geprojecteerd op een moderne kaart. De paarse vakken vormden de bebouwing aan de randen van het kloostergebied. K=de kerk. BP=de begraafplaats.
De contouren van het klooster geprojecteerd op een moderne kaart. De paarse vakken vormden de bebouwing aan de randen van het kloostergebied. K=de kerk. BP=de begraafplaats.
Rijkdom

Het klooster bezat uitgebreide landerijen zoals het gebied aan de zuidzijde van het Westeinde, de Laan, de Vlamingstraat en een groot gedeelte van de Zusterpolder (de huidige Schilderswijk / Stationsbuurt). Waarschijnlijk werden deze bezittingen door Aleida, de eerste moeder-overste van het klooster nagelaten. Deze Aleida was de welgestelde dochter van hertog Willem V van Beieren.

Het convent fungeerde als herberg voor andere kloosterlingen die voor vergaderingen op het hof moesten zijn. Verder werden lakens, dekens en kussens aan het Hof verhuurd. 

De kloosters werden hierdoor zo welvarend dat Filips de Goede zich genoodzaakt zag om de rijkdom te nivelleren. Alle kloosters mochten nog maar voor 100 mark Trooisch zilver per jaar verdienen. Bij overschrijding van deze drempel moesten bezittingen verkocht worden en mochten geen erfenissen meer aangenomen worden. Verder werd de kloosters verplicht  om minstens vijftig personen te huisvesten. Het St. Elizabeth Convent  werd zo rijk dat de belastingaanslag een paar jaar later twee keer zo hoog was als dat van de andere Haagse kloosters. 

De situatie rond 1614.
De situatie rond 1614.

Het einde

Reformatie

Door allerlei misstanden in de katholieke kerk ontstond halverwege de 16e eeuw een tegenbeweging die de Reformatie genoemd werd. Na de beeldenstorm sloot in de zomer van 1572 Den Haag zich aan bij deze Reformatie. Den Haag werd protestant, het Convent werd opgeheven en de kloostergoederen werden onder beheer gesteld van de schepen van Den Haag, Cornelis Sijbrandsz. De bewoners konden echter op het terrein blijven wonen.

Brand

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1584  ontstond een grote brand in het gebied rondom de Vlamingstraat en Laan. Een groot aantal houten huizen vatte vlam, waarna ook het klooster voor het grootste deel afbrandde. 

De stedelijke overheid kocht een deel van de overgebleven kloostergebouwen op en verhuurde deze door. De zusters ontvingen na de opheffing van het klooster een jaarlijkse uitkering van de staat dat op 25 Maart 1594 verhoogd werd naar 100 pond voor de moeder-overste 80 pond en voor de zusters.

Een deel van de grond werd gekocht door de raadsheer J. Amens van den Bouckhorst (bekend van de Boekhorststraat). Zijn weduwe, vrouwe Alijdt van der Duyn, verkocht de boedel later weer aan de gemeente. 

Een kloosterboek met waarschijnlijk de heilige Elizabeth en het klooster op de achtergrond.
Een kloosterboek met waarschijnlijk de heilige Elizabeth en het klooster op de achtergrond.
Nieuwbouw

In 1614 werden de laatste restanten van het klooster gesloopt en werden stukje bij beetje straten aangelegd, zoals de Boekhorststraat. Een deel bleef onbebouwd. Dit werd in 1614 de Groenmarkt: 'volgens eene keur en ordonnantie van den 1en October van dat jaar, waarbij "schout, burgemeesteren en regeerders statueren, dat niemand, wie hy zy, opten ordinaire marktdagen, zijnde Maandags en Vrydags eenige groente, saet, wassende kruiden, bloemen, kool, knollen of peen zal mogen verkoopen of koopen dan op de nieuwe Groenmarkt, daartoe geaccommodeert in het Sint-Elizabethssusterhuys of klooster alhier, ter plaatse daar 't hem aangewezen zal werden.'  Tegenwoordig is dit de Grote Markt.

Een paar jaar later, rond 1650, werd op een overgebleven stuk terrein de nog steeds bestaande Boterwaag gebouwd. 

 

 

 

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven