Dolf de Vries
Dolf de Vries

Dolf de Vries

Na een te lang verblijf bij de inmiddels opgeheven Haagsche Comedie (de opvolgers van Cees Laseur en Paul Steenbergen dachten met hun tijd mee te gaan door de ch weg te laten) vertrok ik in 1969 naar de Nederlandse Antillen.

Ik was vastgelopen als acteur, sympathiseerde met die jongeren die schreeuwden om vernieuwingen, maar stond nog te zeer met beide benen in een tijd, waarvan ik wist dat hij voorgoed voorbij was, om me daadwerkelijk bij hun acties aan te sluiten. Alles benauwde mij, de stad, het toneel, het bekende en vertrouwde. Ik wilde zo ver mogelijk weg uit Den Haag, de stad waar ik geboren en getogen was. Later maakte ik in een cabaretprogramma het grapje dat alleen de in ’s-Gravenhage geborene het recht heeft minder gelukkigen, die slechts getogen zijn in de residentie ’tuig’ te noemen.

Twee jaar later kwam ik terug en zette mijn loop baan voort aan het Amsterdamse Toneel. Nu zal ik eens goed laten zien dat ik mij ontworsteld heb Den Haag, dacht ik en omhuld door een prachtige Columbiaanse poncho stapte ik de kantine van de Stadsschouwburg binnen. Alle kippen keken.

Fluisterend vroeg ik aan Nel Koppen waar om iedereen meende iets over mijn uitmonstering te moeten zeggen, terwijl ik begrepen had dat Amsterdam de meest vrijgevochten stad ter wereld was, waar een ieder mocht aantrekken wat hij of zij wilde. Nel keek me schalks aan en antwoordde ”Dat is ook zo, alleen jij niet.” En dat vond ik niet leuk. Voor de zoveelste keer werd ik geconfronteerd met mijn image van rasech te Hagenaar.

Het heeft me nog een aantal jaren gekost vooraleer ik aanvaardde te zijn, wat ik kennelijk in de ogen van anderen was: Haags.

Maar wat is nu precies Haags? De niet-Hagenaar weet daar aanzienlijk meer over te vertellen dan de Hagenaar zelf, misschien komt het juist door die lichte onverschilligheid dat de rest van Nederland de Hagenaar bekakt noemt. Daarbij dan altijd doelend op een bepaald soort Hagenaar en voorbij gaand aan al die duizenden die niet aan een ministerie zijn verbonden, niet met een aardappel in de mond praten en nog nooit van kale kak heb ben gehoord. Als ik Hagenaar genoemd word omdat ik mij in alle groeperingen van de samenleving op mijn gemak voel, dan ben ik het daar volledig mee eens, ja sterker, ben ik daar zelfs ingetogen trots op.

Voor zover het in mijn vermogen ligt warme gevoelens te koesteren voor een stad of een land — daar voor voel ik mij eigenlijk te zeer wereldburger - voel ik die voor Den Haag. Juist door die wonderlijke diversiteit aan bewoners. In geen stad in dit land kun je dezelfde zin hoogst bekakt en hoogst plat zeggen. ”We motte wel op tijd op die cocktailparty komme” en ”we motte wel op tijd uit het stadion komme”, dat is dezelfde zin, maar alleen een ras Hagenaar voelt de wereld van verschil.

In dat zelfde cabaretprogramma maakte ik nog enkele grappen over Den Haag. Ik vertelde dat Den Haag de stad is van de politici, maar dat ik daar niet warm voor kon lopen. ’De mens achter de Hollandse politicus’, nee die interesseerde mij hoegenaamd niet.

De Amerikaanse politiek, dat was wat anders. Kijk, in Amerika kan iemand het nog van pompbediende tot president brengen. Moet je je voorstellen dat iemand in Holland zo’n carrière zou maken, dan weet ik zeker dat ze in Den Haag zouden zeggen ”het is een briljante man, maar je blijft het ruiken.”

Hoevele malen heb ik dat niet verteld, in Nederland tot in de kleinste gehuchten en over de gehele wereld voor Nederlandse clubs. Succes verzekerd.

Dat is een herkenbaar beeld van de Hagenaar: arrogant, bekakt en zichzelf een aparte plaats in de Hollandse samenleving toedichtend. Zelfs de volgende opmerking ging er als koek in: In het Haagser dan Haagse Indische Restaurant Garoeda, waar te jeugdig opgeverfde dametjes nog steeds praten over ’ons Indië’ en vergeelde echtparen van achter de ramen hooghartig neerkijken op het gepeupel op het Voorhout, hoorde ik een mevrouw tegen haar vriendin zeggen ”Ik begrijp die Lubbers niet, waarom stuurt hij die Turken niet gewoon terug naar Suriname?”

Het Indisch restaurant Garoeda aan de Kneuterdijk ging in oktober 2020, tijdens de Caronacrisis, failliet. Deze foto werd in februari 2019 gemaakt.
Het Indisch restaurant Garoeda aan de Kneuterdijk ging in oktober 2020, tijdens de Caronacrisis, failliet. Deze foto werd in februari 2019 gemaakt.

Eerlijk gezegd heb ik nooit precies begrepen waar om het publiek daarom lachte, het kan niet anders of de herkenning van het elitaire, Haagse element in de grap is de oorzaak van de spontaan opwellen de lach. De laatste grap die ik nog zal noemen deed het meestal een stuk minder en toch bleef ik hem ijzeren heinig steeds doen, omdat ik hem zelf zo leuk vond.

”Wat is nu Haags?” vroeg ik aan het publiek, om dan zelf het antwoord te geven: "vanmorgen zag ik een keurige heer met een bolhoed op z’n hoofd op de fiets zijn eigen urine in een kristallen wijnkaraf naar de dokter brengen.” Daar werd miezerig om gesnuifd maar zelden echt om gelachen. Tot de dag van vandaag hou ik vol dat het een grap voor fijn proevers is. Over Haags gesproken. . . .

Zou het bij grappen over uitsluitend deze categorie stadsbewoners blijven, dan zou Den Haag een stad als alle andere zijn. Zoals gezegd, de exclusiviteit ligt hem er nu juist in dat de humor zich in een totaal ander accent en vanuit een geheel andere achtergrond uit. Want wat te zeggen van deze op merking, die ik uiteraard ook gebruikte. Er zit een meneer achter me op de tribune bij FC Den Haag, die ik onnavolgbaar droevig hoor verzuchten: ”Ik heb een lappie grond voor me schoonmoeder gekoch, ze wil er alleen nie in gaan legge.” Of deze, mij verteld door de bakker: ”Ik heb twee prachtige kenijne, voor Kerstmis. Ze passé precies in me grill.”

Niets markeert beter de onpeilbare werelden van verschil tussen de herensociëteit ’De Witte’ en die van café ’Bij Blonde Bep’ dan de sfeer op en rond het cricketveld der Koninklijke HCC en die van de immer tumultueuze FC Den Haag (in het haags de FC De Haag). Op het cricketveld van genoemde ruim honderd jaar oude vereniging wordt de Engelse sfeer van voorgoed voorbije tijden krampachtig gehandhaafd. De heren verkleden zich tot een soort Engelsman, die in heel Engeland amper meer voorkomt en de dames volgen hen daarin getrouw. Op zondagochtend komen ze aangewandeld, met de gemakkelijke tuinstoel onder de ene arm, de onvermijdelijke ’umbrella’ onder de andere. Uiteraard een blazer met liefst een das van een Engelse club of regiment, strooien hoed op het hoofd en een pijp in ’de bek’. De dames in een vlot zomerjurkje of een grijze plooirok met sportieve loafers. Men groet elkander minzaam en informeert naar familie-oinstandigheden en vakantieplaimen. Het gaat daarbij veelal om het beleefd informeren en minder om het antwoord.

Niet alleen omdat men dat in vele gevallen reeds kent - tenslotte is het een uiterst klein kringetje waarin men leeft - maar meer omdat intimiteiten niet worden verwacht. ”That is simply not done.” Begint het cricketspel eenmaal dan volgt men dat op de voet, waarbij men zich zoveel mogelijk van Engelse termen bedient. ”Oh, lovely shot” of ”what a beautiful catch.” Breekt het moment aan voor de thee dan strekt men de benen, wandelt wat over het veld en babbelt met deze en gene. De alge hele sfeer is die van gemoedelijkheid en intense beschaving. De buitenstaander zal de sport en haar bewonderaars ondergaan als het verbaasd bekijken van een door de tand des tijds perkamentachtig gekleurde Engelse film. Een soort levend Open lucht Museum, waar het publiek fluistert en glim lacht. Uitbundigheid is taboe, men komt om zich te verpozen en nooit om af te reageren of frustaties kwijt te raken. En dat is nu precies wat op en rond de velden van de FC Den Haag wèl gebeurt.

Spelers en publiek laten zich gaan, emoties mogen worden geuit en men gedraagt zich tot in het merg oerhollands. Er worden geen beleefde handen ge schud, hier slaat men dreunend op de schouders, hier wordt niet voorzichtig geglimlacht, hier wordt gebulderd. Het spel wordt niet gevolgd, doch mee beleefd. Hier fluistert men niet ”what a pity” maar schreeuwt men ’gofferromme”. Hier kunnen opgekropte emoties zo dwingend naar buiten barsten dat geweld onontkoombaar is.

Geen stad in Nederland is zozeer een stad van uitersten als Den Haag. Eens per jaar komt dat aan het licht, in de oudejaarsnacht. Terwijl het ene deel van de stad elkander in smoking en avondjurk het allerbeste toewenst, steekt de andere helft in de hens wat daar maar voor in aanmerking komt. Diep weggestopte onvrede komt gewelddadig naar buiten. Remmingen bestaan dan niet meer, slechts verniel zucht beheerst de zich nog altijd mens noemende meute.

Ik hou van deze stad, waarin je volstrekt anoniem kunt leven. Van die ondefinieerbare, ongrijpbare stad. Van die stad die ’geen gezich heb’ en ’geen smoel heeft’. Van dat slapende dorp dat ogenschijn lijk nooit wakker wordt, maar o wee als men zich de slaap uit de ogen wrijft!

Misschien dat zovele kunstenaars zich daarom thuis voelen in Den Haag, omdat je er altijd waak zaam moet blijven, altijd moet wachten op het on verwachte en het ondoorgrondelijke moet trachten te doorgronden. De wereld van Couperus naast de wereld van het vak Midden-Noord bij de FC De Haag. . . .

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven