F. Springer
F. Springer

F. Springer

Den Haag hofstad, hoffelijke stad - volgens Rotterdammers oersaai en volgens Amsterdammers zelfs dood als een pier. Alles goed en wel, maar in 1979 moest ik mij er letterlijk binnenvechten! Ik zweer dat dit geen sterk verhaal is.

Den Haag: een pijnlijk weerzien

Een bus vol Hagenaars was getuige van de wrede wijze waarop ik in hun midden opgenomen werd. Gedempt en beschaafd, doch niettemin hartgrondig spraken sommigen hun afschuw hierover uit. Iemand zei dat hij zich ’plaatsvervangend schaamde’ en bood mij verontschuldigingen aan namens de burgerij der Residentie. 

Ik weet nog goed hoe men mij, voorjaar 1977, op het Departement van Buitenlandse Zaken geluk wenste met mijn nieuwe diplomatieke standplaats Teheran. Oudere kollega’s vertelden ontroerd van de prachtige tijd die zij rond de Pauwentroon had den doorgebracht. Teheran, bruisende ziel van Zuid-Azië! Binnen enkele jaren, zo werd hier en daar voorspeld, zou die stad (waar immers onuitputtelijke miljarden oliedollars vloeiden) kunnen uitgroeien tot de navel van ook onze beschaving, en toonaangevende cultuurcentra als Londen, Parijs en zéker Amsterdam verre overvleugelen.

Dat is dus niet gebeurd. En niks geen vrolijk diplomatenleven in de periferie van de Sjah en zijn Farah Diba. Ondergronds gerommel zet zich in de loop van ’78 om in massabetogingen, stakingen, uitbarstingen van haat tegen Amerikanen en andere vreemdelingen. Golven van fanatisme gaan over Iran. De voeten van de Sjah blijken van leem. Onafzienbare mensenmassa’s lijken de terugkeer der Middel eeuwen uitzinnig te begroeten. Ook al ben je als diplomaat meer toeschouwer dan deelnemer, zo’n schokkende omwenteling gaatje niet in de kouwe kleren zitten.

Tamelijk daas en bezorgd over het lot van Perzische vrienden die spoorloos in de heksenketel verdwenen, verliet ik Teheran, kort nadat Ayatollah Khomeini daar op de vleugels van Air France was neergedaald. Nog wat onzeker op de benen van Schiphol door een vredig landschep naar Den Haag, naar huis! Verlangend naar diep slapen in een stille Benoordenhoutse straat, rustig koffiedrinken aan zonder bedacht te hoeven zijn op plotseling opduikende Islamitische revolutionairen.

Niet langer woedende anti-sjah leuzen van duizendkelige spreekkoren in de oren - alleen maar rust! Weldadige rust! Nirwana! Aldus mijmerend in de volle bus 5 overgestapt. Beleefd- verholen blikken van medepassagiers dwaalden steeds weer naar mijn moegereisd gezicht met stoppelbaard, mijn in deze milde maart overbodige pelsjas, de schreeuwerige stickers TEHERAN op mijn koffer in het gangpad. Een exotische reiziger, zag ik ze denken, en zo te zien ook nog net op tijd ontsnapt uit de verre stad die men iedere avond op het televisiescherm kon zien branden.

Een meisje stond op en bood mij haar zitplaats aan. Zo oud zag ik eruit. Voorkomende Haagse jeugd, dacht ik. Wat was mooier dan binnenvaren in je eigen veilige, vertrouwde thuishaven. Nog vier haltes. Ik wist zeker dat geliefde gestalten al vele minuten ongeduldig bij het eindpunt op mij wachtten. Vertederd glimlachend keek ik de man tegenover mij aan. Dertiger, rossig krulhaar, bruin visgraatcolbert hoog dichtgeknoopt, paraplu tussen de benen. Om zijn lippen een schampere grijns. Prikogen die mij venijnig fixeerden. Ruychrocklaan! Ach, hoe lang had ik de Ruychrocklaan niet gezien en hoe mooi was die!

De Ruychroklaan in december 2017.
De Ruychroklaan in december 2017.

Overdreven geïnteresseerd naar buiten kijken dus, maar onontkoombaar in één ooghoek steeds die steken de blik van de overbuurman. Nu siste zijn stem in mijn richting. Tevreden en gelukkig bleef ik naar buiten staren. Ook de andere Benoordenhoutgangers, - een dame naast mij; een lieve mevrouw die op mijn oma leek, tegenover mij, naast de rossige prikoog; twee echtparen aan de andere kant van het gangpad-, allemaal bestudeerden we aandachtig de voorbij glijdende huizen, bomen en brave kinderen, hand in hand op het trottoir. Hoe lieflijk en hoe kalm dat alles. Kom daar in Teheran eens om, dacht ik.

Maar hij riep, de rossige riep, verstaanbaar voor iedereen: ”Jij hoort hier niet, jij hóórt hier niet!” Tot mij gericht, woord voor woord. ”Jij hoort hier niet!” Ik kon niet langer doen of hij lucht was, keek hem aan, maar het was al te laat: met de punt van zijn paraplu stak hij mij hard in mijn buik, trok zijn wapen terug, mikte op mijn hartstreek. Die slag weerde ik beduusd af - maar niet de volgende, een zwiepende houw op mijn hoofd. De stalen punt schuurde langs mijn wang. ”Jij hóórt hier niet, jij hóórt hier niet!” krijste hij.

Verstijfde gezichten om ons heen. Mijn oma maakte zich heel klein in haar hoekje. Ik kreeg het uiteinde van de paraplu te pakken en kon mijn onbekende vijand op zijn plaats terugdrukken. Hij begon te schoppen en bleef verbeten aanvallen. Even verbeten pareerde ik iedere stoot. Iemand riep: ”Bestuurder! Bestuurder!” Een man in het gangpad wou ingrijpen, maar week terug voor de opgeheven paraplu. ”Bestuurder, bestuurder!” werd er nu alom geroepen. ”Ze vechten achterin de bus!” Wij kwamen tot stilstand. De deuren schoven open.

Heelhuids ontkomen aan Irans derwisjen, schoot het door mij heen, en nu aan de voet van die toren vol lieftallige Bronovo-verpleegsters sneven in een dodelijk tweegevecht - welkom thuis in Den Haag met zijn lanen, parken, paleizen en nijvere rijks ambtenaren! Tegelijk zagen hij en ik de bestuurder naar ons toe komen. Ook de mensen om ons heen hervonden hun tong en wezen onze gezagvoerder waar hij zijn moest.

De Duinzichtkerk aan de Van Hogenhoucklaan.
De Duinzichtkerk aan de Van Hogenhoucklaan.

Mijn tegenstander, kwaadaardige Lucifer, schoot overeind en sprong door de achterste deur de bus uit. Met een van drift vertrokken gezicht keek hij nog een keer naar ons om. Wij zagen hem wegrennen en verdwijnen om de hoek van de Duinzichtkerk. Met zijn paraplu zwiepte hij fel om zich heen naar onzichtbare belagers. In de bus informeerden bezorgde dames en heren naar mijn gezondheidstoestand. Verontwaardiging over gevaarlijke gekken die zomaar los konden rondlopen, zélfs in het Benoordenhout. 'Teheran is er niks bij,” zei ik nijdig.

Bij het eindpunt mijn wachtende dierbaren. Bus genoten bespiedden discreet-bewogen onze innige omhelzingen. Ik hoor hier wèl, dacht ik grimmig. Geen duizend paraplu’s zouden mij ooit de toegang tot Den Haag kunnen versperren.

.

Cultuur

Tijdperken

Wijken

Ga naar boven